|
| |

Hieronder vindt u slechts een indruk van wat de Historische Collectie Bevoorrading & Transport
u te bieden heeft m.b.t. het dienstvak Intendance vanaf het ontstaan in 1905 tot aan de
opheffing in 2000.

Via de entree van het museum komt u
als eerste bij de "Mauritswand". Nadat zijn vader,
Willem van Oranje, in 1584 werd vermoord, is Prins Maurits in 1588 aangesteld tot
Kapitein-generaal van het Staatse Leger dat in een moeizame strijd was verwikkeld voor
onze onafhankelijkheid. Prins Maurits besefte terdege dat een succesvolle strijd zeer
afhankelijk was van de verzorging van de militair. Hij stelde zijn bekwame leermeester,
Simon Stevin, aan tot generaalkwartiermeester die het oppertoezicht kreeg over de
regimentkwartiermeesters. Prins Maurits en zijn halfbroer Frederik Hendrik hebben hiermee
de basis gelegd voor een uiteindelijk met succes bekroonde strijd tegen de Spaanse
overheersing.
Een diarama laat het kwartier van de zoetelaars zien naar een
gravure van Hendrik Honsius uit 1630. Het diarama, gebaseerd op historische gegevens,
geeft een beeld van de bevoorrading met levensmiddelen tijdens de 80-jarige oorlog. |

|

|
Uit 1898 stamt de korporaal wasbaas, hij waste
het ondergoed (zgn. lijfgoederen) van de soldaten en werd hierbij geholpen door zijn
echtgenote, de compagnies-wasvrouw. Meestal waren dat kordate vrouwen waarmee niet te
spotten viel. Soms kregen zij van de regimentscommandant het recht om de troepen tijdens
veldoefeningen te volgen. Zij voerden, in een vaatje op de heup, vijf liter jenever mee en
in de rustpauze konden de soldaten en kaderleden bij haar een borrel kopen. De vrouw van
de korporaal-wasbaas trad dan op als marketenster van de militaire Kantinedienst.
Marketensters waren officieel niet geuniformeerd doch pasten hun kleding aan bij het
regiment. In het museum ziet u een marketenster van het Regiment Bevoorradings- &
Transporttroepen, het jenevervaatje is origineel. |
Het in bruikleen gegeven vaandel van
de intendance is bij Koninklijk Besluit van 12 februari 1980 een het Regiment
Intendancetroepen door Koningin Juliana toegekend. Het vaandel bestaat uit een doek van
oranje zijde waarin aan de voorzijde het monogam van de heersende vorst(in) is geborduurd,
alsmede de naam van het onderdeel: Regiment Intendancetroepen. Aan de
achterzijde vertoont het vaandel het Koninklijk wapen (zonder mantel).
Het monogram met de gekroonde "J" is
aangebracht omdat het vaandel door Koningin Juliana werd toegekend. Het vaandel is aldus
het symbool van de verbondenheid met het Koninklijk Huis. Daarnaast is het vaandel een
herinnering aan de eervolle daden door de intendancetroepen sinds de oprichting in 1905
verricht.
Het vaandel neemt een centrale plaats in bij het Regiment en
wordt op de kamer van de Regimentscommandant bewaard en bij bepaalde plechtigheden
meegevoerd. Het vaandel wordt dan gedragen door de Regimentsadjudant, hij wordt vergezeld
door een gewapende vaandelwacht onder bevel van een officier. Iedere vrijwillig dienende
militair wordt op het vaandel beëdigd en bij commando-overdrachten wordt het vaandel
daadwerkelijk overgedragen door de vertrekkende regimentscomammandant aan de nieuwe
regimentscommandant. |

|

|
Hier ziet u een
onderluitenant-kwartiermeester van het KNIL. Voor overzeese gebiedsdelen had Nederland een
afzonderlijk leger, het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL). Het KNIL werd
opgericht in 1830 en ontbonden in 1950. In 1942 ging het tenonder aan de overmachtige
Japanse aanvaller, waarbij KNIL-militairen krijgsgevangen werden gemaakt en onder zeer
slechte omstandigheden in gevangenkampen op Java, Siam en Birma, maar ook in Japan
verbleven.
In augustus 1945 capituleerde Japan, doch dit bracht geen vrede
in Nederlands-Indië. De regering was genoodzaakt een expeditieleger van meer dan 130.000
mannen en vrouwen overzee te zenden, die samen met het KNIL daar "Orde en
Vrede" moesten brengen. De Indische dienst van de
Kwartiermeester-generaal, waarbij 20.000 mensen werkzaam waren, verzorgde van 1945 tot
1950 de grootste militaire expeditie die Nederland ooit ondernam. Na twee politionele
acties, resp. in 1947 en 1948, werd in 1949 de Ronde Tafelconferentie gehouden en een
verdrag getekend. Nederlands-Indië werd Indonesië en het leger keerde, met achterlating
van ca. 6000 doden, naar Nederland terug. |
Na de Tweede Wereldoorlog werd een
geheel nieuw leger opgebouwd met Brits-/Canadese kleding en uitrusting. De onderofficier
die de soldaat kleedde en van uitrusting voorzag was de "fourier".
Reeds in het Staatse Leger van voor 1795 kende men deze fourier die belast was met de
verdeling van de FOURAGE, dat is brood voor de soldaten en haver voor de
paarden, waarvan zijn naam dus is afgeleid.
De fourier was in rang gelijkgesteld aan sergeant/wachtmeester.
Hij beheerde de compagnies- of bataljonsvoorraad in een uitrustingsmagazijn dat de RUSTKAMER
werd genoemd. De fourier droeg in die tijd de tekens van een Britse Quatermaster-sergeant.
Bij Koninklijk Besluit van 20 juni 1956 verviel de rang van fourier. Hiervoor in de plaats
kwam de benaming sergeant-/wachtmeester-bevoorrading (in bepaalde functies
sergeant-verzorging of distributeur) hoewel de naam fourier nog steeds wordt gebruikt. |

|

|
Let bij de Brits-/Canadese
uitrusting speciaal op het metalen beslag onder de zolen van de zwart lederen
"kistjes", dit om overmatige slijtage van het zoolleder tegen te gaan. Het
beslag moest altijd volgens een bepaald patroon door de man zelf worden aangebracht. De
zwarte hoge schoenen werden gedragen met canvas enkelstuken (anklets) en om de broek hier
fraai overheen te laten plooien werden de randen van de broekspijpen voorzien van veters
met lood of veters gevuld met loden kogels. |
De soldatenkamer uit de periode van 1945-1959
bood plaats aan vier rijen van elk vijf stapelbedden, zodat op iedere kamer 20 x 2 = 40
soldaten konden slapen. De gestapelde bedden waren van elkaar gescheiden door
kledingkasten. De kribben waren voorzien van strozakken met blauw geruite overtrekken en
de dekens werden m.b.v. dekenlatjes gevouwen tot een zgn. "wolletje".
Het geheel werd schoongehouden door de kamerwacht, die dagelijks
werd gewisseld en van andere diensten werd vrijgesteld. |

|

|
In 1942 werd in Engeland de Centrale
Cantinedienst opgericht, beter bekend als de CADI. De CADI richtte op de
kazernes kantines in waar de militairen een kop koffie of thee en en koek konden kopen,
danwel een glaasje bier of frisdrank in de avonduren. Ook werden in de kantines
schrijfmaterialen en andere artikelen voor het welzijn van de militairen verkocht.
Bovendien verzorgde de CADI een cantinedienst te velde met mobiele kantinewagens.
Commandant en militair personeel van de CADI behoorden tot de intendance, hetgeen met de
cantinedienst te velde nog steeds het geval is.
De kazerne-CADI is thans gecentraliseerd en in elke kazerne
ondergebracht in de zgn. Paarse Restaurant Organisatie (PARESTO), welke werkzaam is binnen
de hele Defensie, hoewel het begrip CADI bij de militairen wel altijd z'n betekenins zal
blijven behouden. |

|
Uiteraard is de intendance altijd
verbonden geweest aan het kookgebeuren. Het personeel van de intendance verzorgde tijdens
oefeningen te velde voor de bereiding van de voeding. Tot de invoering van de Mobiele
veldkeuken in 1967 gebeurde dat op het zgn. benzinekooktoestel (BKT). Ook de vele
herinneringen aan de Koksschool in Leiden (1950-1976), Haarlem (1976-1992), Bussum
(1992-2006) en Soesterberg (2006-heden) blijven altijd bewaard. Duizenden koks,
hofmeesters en menagemeesters zijn aan de koksschool door de intendance opgeleid.
Een complete collectie militair servies met leeuwvignet is uniek
in de verzameling. Voor de officiersmess was het servies van ivoorkleur met blauwe rand en
voor de onder-officiersmess was dit wit, zonder rand. Het in 1950 ingevoerde servies was
van kostbaar porselein en werd vervaardigd bij de Sphinx (fa. Regout) te Maastricht. |

|

|
Buiten de voeding en levensmiddelen
is de intendance ook werkzaam in de bevoorrading van Brandstoffen, oliën en smeermiddelen
(BOS-producten). Toen de bevoorrading nog per jerrycan geschiedde werden de lege jerrycans
bij de brandsstofvoorzieningsinstallatie (BRAVIN) omgewisseld tegen volle.
Werktroepen, die de overslag met gevulde jerrycans met de hand
deden, noemden zichzelf "de Buffels", afgeleid
van het buffelen = hard werken. |

|
Na de Tweede Wereldoorlog heeft
Nederland veelvuldig deelgenomen aan troepenuitzendingen om een bijdrage te leveren aan de
VN, de NAVO of de EU voor de instandhouding van de wereldvrede. Zo heeft Nederland
bijgedragen aan een Detachement Verenigde Naties in Korea (1950-1955), waar peace-enforcing
plaatsvond door het afdwingen van vrede door gewapend optreden. Naar Zuid-Libanon werd in
1978 een bataljon infanterie gezonden tot instandhouding van de vrede (peace-keeping)
tussen Israel en Egypte.
Ook nam Nederland deel aan UNPROFOR, IFOR en SFOR in het vm.
Yoegoslavië en aan de MFO-vredesmacht in de Sinaï-woestijn tussen Egypte en Israel.
Ook zijn nu nog steeds Nederlandse militairen over de hele wereld
uitgezonden, zoals in Bosnië-Herzegovina en Afrika (beide EUFOR), in Macedonië (KFOR),
IRAK en bij diverse operaties in Afghanistan. |

|

|
De Intendance heeft van 1961 tot 1992 de
beschikking gehad over een eigen tamboerkorps. Deze tamboer is gekleed in het toenmalige
uitgaanstenue. De zwarte baret met pluim behoorde bij het donkere geklede tenue. Als
militair muzikant draagt hij zgn. zwaluwnesten aan de schouders. Ook is de LYRA, de eerste
gebruikte saxofon en de stok van de tamboermaître in het museum te zien. |
Wat prijkt daar allemaal op de borst
is een veelgehoorde kreet. Een militair uniform is vaak rijkelijk voorzien van een
diversiteit aan militaire onderscheidingen, zowel in groot als klein model of als baton.
Heel trots zijn wij op onze verzameling miitaire onderscheidingen. Een unieke collectie is
tentoongesteld in speciaal daarvoor bestemde kasten. Van de Militaire Willemsorde,
dapperheidsonderscheidingen tot de laatste onderscheidingen uitgereikt na aanleiding van
deelname aan een vredesmissie. De onderscheidingen zijn overzichtelijk tentoongesteld en
voorzien van gedetailleerde informatie. |

|
 |
Gesneuvelde militairen bergen.........een dagtaak?
De Tweede Wereldoorlog is al tientallen jaren voorbij.
Toch heeft een klein onderdeel behorende tot het regiment Bevo&Transport er nog
dagelijks handenvol werk aan.
Regelmatig krijgt de Bergings- en Identificatie Dienst (BID) melding van de vondst van
zogenaamde "veldgraven".
Daarnaast bevinden zich in de Nederlandse bodem nog ettelijke honderden vliegtuigwrakken,
waarvan de bemanning nog steeds als vermist te boek staat. Regelmatig assisteert de BID
bij de berging van deze wrakken.
Wanneer de specialist van de BID de identificatie heeft afgerond, worden de
stoffelijke resten doorgaans op een van de erevelden in Nederland begraven. Zo krijgen
gesneuvelde Britten meestal een graf op een Brits ereveld (War Graves Cemeteries).
Nederlandse militairen vinden een laatste rustplaats op de Grebbeberg en Loenen,
Amerikanen in Margraten en Duitse militairen op de begraafplaats te Ysselsteyn. In enkele
gevallen gaan de stoffelijke resten terug naar het land van herkomst van de gesneuvelde.
De betrokken autoriteiten stellen alles in het werk om bij een herbegrafenis, waar deze
ook plaatsvindt, eventuele nabestaanden daarvan getuige te laten zijn. |

|

Uiteraard is hetgeen u hierboven ziet niet compleet. Historische Collectie Bevoorrading & Transport
bestaat uit meerdere aspecten die zeker de moeite van een bezoek waard zijn. Wij willen u
dan ook van harte een bezoek aan de collectie aanbevelen.

|